Wat de oude Grieken ons leren over hoogbegaafdheid

Over Diogenes, de moed om anders te zijn, en waarom “te veel” soms gewoon “waar” is.
Foto van Arianne Rooyens-Kanters
Arianne Rooyens-Kanters

In de vierde eeuw voor Christus woonde er een man in een ton op de markt van Athene. Hij at op straat, sliep waar hij wilde, en zei precies wat hij dacht, ook tegen koningen. Zijn naam was Diogenes van Sinope, en hij behoorde tot een filosofische stroming die de geschiedenis is ingegaan als het cynisme.

Wat heeft dat te maken met hoogbegaafdheid? Meer dan je zou denken.

Het anders-zijn als informatie, niet als probleem

De Franse filosoof Michel Foucault wijdde zijn laatste colleges aan de cynici. Zijn belangrijkste inzicht: voor Diogenes en de zijnen was het “anders leven” geen ongemak dat weggewerkt moest worden. Het was juist de plek waar waarheid zichtbaar werd. Hun vervreemding van de gangbare normen was geen fout in het systeem, het was hun manier om te laten zien wát er niet klopte aan dat systeem.

Veel hoogbegaafde mensen kennen die omkering niet. Ze leren al vroeg dat hun manier van Waarnemen: sneller, scherper, met oog voor inconsistenties die anderen niet zien, een probleem is. Iets om te temperen. Aan te passen. “Doe eens normaal.”

Foucault nodigt uit tot een andere lezing: misschien is dat wat aanvoelt als “te veel” of “te scherp” helemaal geen stoornis, maar een vorm van waarnemen die iets laat zien wat de moeite waard is.

Waarheid spreken heeft een prijs

Foucault gebruikt het Griekse woord parrèsia: vrijmoedig spreken, waarheid zeggen ondanks het risico. Niet omdat het knap is, maar omdat het nodig is. De parrèsiast zegt niet wat handig is, maar wat waar is: wetend dat dit hem iets kan kosten: aanzien, aansluiting, soms zelfs zijn positie.

Dat is precies de ervaring van veel hoogbegaafde mensen. Ze zien de hypocrisie in een vergadering vóórdat iemand anders hem benoemt. Ze voelen de inconsistentie in een besluit aan, lang voordat de cijfers het bevestigen. En vaak genoeg wordt dat niet beloond, maar afgestraft: het etiket “lastig”, “te kritisch”, “te veel”.

Foucault leert ons hier iets belangrijks: dit is geen persoonlijk falen. Het is een oude, herkenbare positie: de positie van wie de waarheid ziet en de moed heeft (of vindt) om die uit te spreken. Dat vraagt niet om harder je best doen om te passen. Het vraagt om moed te herkennen als wat het is.

Waarheid die je eerst voelt, dan pas begrijpt

Nog iets opvallends: de cynici bewezen hun waarheid niet met argumenten, maar met hun lichaam en levenswijze. Waarheid werd getoond, niet slechts beredeneerd.

Dat herken ik bij veel hoogbegaafde en hooggevoelige cliënten. De waarheid meldt zich vaak eerst in het lijf: onrust, weerstand, een brok in de keel; lang voordat het verstand kan uitleggen waaróm iets niet klopt. Dat is geen ruis die het denken in de weg zit. Het is informatie, net zo geldig als een gedachte.

Een waarschuwing, ook van Foucault zelf

Eén ding is belangrijk om niet te vergeten: het cynische model is geen vrijbrief. Foucault benadrukt dat parrèsia altijd relationeel blijft: het gaat niet om gelijk hebben ten koste van de ander, maar om een vorm van zorg, ook voor wie de waarheid moet horen. Anders-zijn als excuus voor isolement of bruuskheid is geen wijsheid, het is een valkuil.

De vraag is dus niet: hoe word ik zo scherp en ongefilterd mogelijk? Maar: hoe leer ik mijn waarnemen vertrouwen, zonder de verbinding met anderen te verliezen?

Waarom dit ertoe doet

Als je hoogbegaafd bent, ben je vermoedelijk je hele leven bezig geweest met de vraag hoe je “normaler” kunt worden. Foucault en de cynici draaien die vraag om. Misschien is de opdracht niet: pas je aan. Misschien is de opdracht: leer onderscheiden wanneer je waarneming waarheid draagt en vind de moed, en de zachtheid, om die te laten spreken.

Verder dan lezen

Praten met mensen die meteen begrijpen wat je bedoelt

Elke maand een groepsavond voor hoogbegaafde volwassenen. Kleine groep, geen uitleg nodig.

Meer uit ,